De moed en de schoenen
Over een solo op het dooie gemak
Het was dat ie een rugnummer op had en dat er minuten achter hem nog een paar andere wielrenners ploeterden. Anders had je kunnen denken dat de Zwitserse televisie een trainingsritje van de wereldkampioen live uitzond. Tadej Pogacar reed in de eerste rit van de Ronde van Zwitserland rond op z’n dooie gemak. Hij neuriede een liedje, genoot van het uitzicht en zwaaide naar de toeschouwers langs de kant van de weg. Als ie een gelateria was tegengekomen, was ie gestopt voor een ijsje.
Van al zijn solo’s (en dat waren er nogal wat) van de afgelopen jaren, was die in de openingsetappe de Tour de Suisse misschien wel de makkelijkste - en ook de saaiste. Voor de kijkers, maar ook voor hemzelf. Hij reed min of meer per ongeluk weg, na een bonificatiesprint, en hoefde zich daarna ook niet bovenmatig in te spannen om de concurrentie op minuten te rijden. In de afdalingen nam hij alle tijd van de wereld. Kijk maar naar onderstaande Strava-vergelijking met zijn ploeggenoot Felix Grosschartner, die 8e werd, dat op X door @ammattipyöräily werd gepost. De rode lijn is de voorsprong van Pogacar door de etappe heen: je ziet duidelijk dat hij zeker in de laatste twee afdalingen meer dan een minuut laat liggen omdat hij niet veel meer doet dan zich naar beneden laten rollen. Als ie had gewild, had hij zijn eerste achtervolgers (Carapaz en Bagioli) op vier minuten of meer gereden.
Het is een constatering waar je een klein beetje bang van wordt. Pogacar was al absurd goed, maar hij heeft in 2025 en 2026 nog zoveel progressie geboekt dat hij een peloton WorldTour-profs kan veranderen in een groepje kleuters op fietsjes met zijwieltjes. Zijn basisniveau is zo hoog dat hij urenlang wattages kan duwen waar anderen alleen van kunnen dromen. Het stramien van zijn solo’s is elke keer hetzelfde: zijn ploeggenoten rijden een infernaal tempo dat iedereen op de limiet zet (behalve Pogacar) - en als de grote baas zelf gaat, is niemand in staat om te reageren. Of, zoals in de eerste etappe in de Ronde van Zwitserland, wíl niemand meer reageren. Het is een selffulling prophecy geworden: de meeste renners weten dat ze niet kunnen volgen, dus proberen ze het ook niet meer.
Pogi heeft hun hoop vermoord.
Dat hoeft, gelukkig maar, niet te betekenen dat de Tour straks ook kan worden afgedaan met een ansichtkaart uit Parijs. In Frankrijk staan er straks wél een paar renners aan de start die de hoop hopelijk niet hebben opgegeven: de heren Vingegaard, Seixas en - in mindere mate - Evenepoel en Lipowitz. Ze zijn de enigen in het huidige wielrennen die ervan kunnen dromen om Pogacar partij te bieden. Lipowitz is in dit rijtje misschien de vreemde eend - maar hij was in de Ronde van Romandië wél in staat om Pogacar te volgen op langere beklimmingen. Ik weet het, ik weet het, Romandië-Pogi is geen Tour-Pogi, maar tóch.
Het is de afgelopen twee seizoenen duidelijk geworden dat Pogacar eigenlijk geen achilleshiel (meer) heeft. Hij is de beste renner ooit, omringd door ploeggenoten die zelf ook bij de beste renners van het peloton horen. Hij is de sterkste op korte beklimmingen, hij is de sterkste op lange beklimmingen, hij kan solo’s afronden, hij kan het in de sprint, hij doet het als het regent, hij kan tegen de hitte. Alleen in de tijdrit is er nog eentje (Evenepoel) die structureel beter is. Misschien wordt het anders als hij niet tegen één renner (Vingegaard) strijdt, maar tegen twee of drie tegelijk. En misschien, heel misschien, is ie op lange beklimmingen in week drie toch een tikje minder dan in de eerste twee weken. In de Tour van vorig jaar leed ie wel degelijk pijn op de Col de la Loze en La Plagne - hij kreeg Vingegaard er daar niet meer vanaf. En ook na afloop waren er signalen genoeg dat de Tour wel degelijk iets van hem had gevergd - mentaal én fysiek. Het was niet voor niets dat Pogacar na de Tour een paar weken vrijaf nam en de Vuelta oversloeg.
Het zijn strohalmen waaraan Vingegaard & co zich moeten vastklampen. Ze moeten zichzelf ervan overtuigen dat het wél kan. Pogacar (of zijn vriendin) kan ook vallen, ziek worden, slechte dagen hebben (oké, hier twijfel ik over) of ineens tóch een zwak punt blijken te hebben. Het begint ermee dat ze er zelf in moeten geloven - en dat is al zo verdomd moeilijk geworden. Het lijkt me voor de begeleiding van Visma, Decathlon en Red Bull al extreem lastig om dát te bewerkstelligen bij hun kopmannen. Gelóóf erin - het is makkelijk gezegd, maar zo moeilijk gedaan. Daarvoor moet je jezelf extreem goed voor de gek kunnen houden. Of je kop in het zand kunnen steken.
Ik hoop maar voor Vingegaard, Seixas, Evenepoel en Lipowitz dat ze gisteren niet hebben gekeken naar die eerste rit in Zwitserland.
Als ze al moed hadden, zou die nu in de schoenen zitten.




