"This was bullshit"
De motoren, altijd weer de motoren
“This was bullshit.” Er kwam stoom uit de oren van Tim Torn Teutenberg. Het was het slotstuk van een tirade waarin hij had geroepen dat het een slechte grap was en dat iedereen wist wat er aan de hand was. Zijn Lidl-Trek-ploeggenoot Max Walscheid braakte zijn woede in iedere microfoon die hij kon vinden: “This was unbelievable.” En Elmar Reinders van de Rockets zei, na een korte pauze waarin hij zich afvroeg of hij het wel op tv kon zeggen, tóch maar waar het aan lag dat de vluchters uit de greep van het peloton waren gebleven.
De motoren.
Alweer.
Het waren de verliezers van de dag die na afloop hun gal spuwden over de rol van de motoren in etappe 15. De werkelijkheid was wellicht iets genuanceerder: winnaar Frederik Dversnes is bepaald geen gewone smurf, het lokale circuit in Milaan was zo bochtig dat het peloton minder snel kon inlopen dan op een lange rechte weg en in het huidige wielrennen zijn ook renners van kleinere ploegen in staat om heel lang boven de 50 per uur te rijden op een vlakke weg. Maar je kunt er niet omheen dat motoren een grote rol spelen in het hedendaagse wielrennen. De snelheden zijn zo hoog dat motoren eigenlijk méér afstand tot de renners zouden moeten nemen. Maar dat betekent minder goede tv-beelden. Bovendien zijn de UCI-regels verre van helder en worden ze in iedere koers op een andere manier gehandhaafd.
Dát je als renner voordeel hebt (en niet zo’n beetje ook) blijkt uit talloze onderzoeken, zoals deze van hoogleraar en aerodynamica-goeroe Bert Blocken. Kijk naar onderstaande tabel: zelfs als een motor 50 meter vóór een renner rijdt, wint per minuut bijna anderhalve seconde.
Praktijkvoorbeelden genoeg natuurlijk. Neem die ene Gent-Wevelgem in 2005, toen Juan Antonio Flecha van de overwinning werd beroofd doordat Nico Mattan in de laatste kilometer ongegeneerd van auto naar auto en van motor naar motor mocht stayeren.
Maar ook al zijn er de afgelopen jaren maatregelen genomen om het aantal motoren in koers te verminderen: het gebeurt nog steeds. In kleine en in grote koersen. Moet je eens zien hoe het scherm van motoren eruitziet dat voor Pogacar en Pidcock uit reed op de Poggio in Milaan-San Remo van dit voorjaar:
Hoeveel motoren zijn dat? En hoe absurd dichtbij rijden ze? Tien meter? Vijftien?
Op de tv-beelden van Giro-etappe 15 in Milaan is te zien dat er verschillende motoren én een auto op enkele tientallen meters vóór de vluchters reden. Het is wel eens erger geweest (hallo Leo van Vliet), maar het heeft ongetwijfeld een voordeel opgeleverd voor de vier man vooruit. Dat blijkt ook uit de snelheid van het peloton. Uit de Strava-file van Alec Segaert (16e) kun je aflezen dat het peloton de laatste twintig kilometer 55,7 kilometer per uur gemiddeld reed - op een circuit met twee honderdtachtiggraden-bochten.
De kopgroep verloor in dat segment een minuut - dat betekent dat de vier vooraan 53,5 kilometer per uur gemiddeld reden in de laatste twintig kilometer. En dat nadat ze al 130 kilometer met z’n vieren op kop hadden gefietst (aan vijftig gemiddeld). Drie mogelijke conclusies: ze waren monsterlijk goed, ze hadden steun van de motoren - of een beetje van allebei. Die laatste optie lijkt me het meest waarschijnlijk.
De oplossing komt, uiteraard, niet van de UCI. Flanders Classics is bezig met een systeem waar een lampje gaat branden als de motor te dicht op de renners komt. Jelle Wallays legde het uit in Het Nieuwsblad:
Het is te hopen dat het werkt - en dat het snel in koers te gebruiken is.
Tot die tijd kun je als renner maar één ding doen.
Zoveel mogelijk profiteren.








Ik vraag me af waarom zoveel motors in de koers. Jullie gast ten spijt, maar stilstaande foto’s is toch een relikwie van het verleden. Zelfde als die journalisten en tegenwoordig oud coureurs (nu weer de Marchi, geloof ik) die tussen de koers rijden. Geeft geen enkele toegevoegde waarde want alleen maar open deuren met dingen die ik op TV kan waarnemen. Houd de motors beperkt tot TV camera’s en verder niets, en het is dan te managen zonder oneerlijke drafting.