"Ik heb mezelf wijsgemaakt dat ik dit moet kunnen"
Beroep Wielrenner Deel 54: Milan Vader
Vandaag 4 jaar geleden, op 8 april 2022, crashte Milan Vader in de vijfde etappe van de Ronde van Baskenland tegen een vangrail. Hij sloeg over de kop en kwam dertig meter verderop neer. Hij lag voor dood naast het parcours en men vreesde het ergste toen hij naar het ziekenhuis in Bilbao werd afgevoerd. De voormalige mountainbiker (in 2021 tiende op de Spelen in Tokio) lag twaalf dagen in coma. Zes maanden later keerde hij terug in het peloton en eind 2023 won hij de laatste World Tour-etappekoers van het jaar, de Ronde van Guangxi.
De 29-jarige Zeeuw is inmiddels renner van Pinarello Q36.5 en ploeggenoot van Tom Pidcock. Vader debuteerde in 2025 in de Giro en heeft dit seizoen zijn zinnen gezet op de Waalse Pijl. Nando Boers zocht hem deze winter op en maakte onderstaand interview met hem in de serie Beroep Wielrenner voor het mooiste literaire wielermagazine dat er is: De Muur.
We zitten aan de keukentafel in Middelburg. Het is half november, een maand geleden reed je de laatste koers van het seizoen. Is dit voor jou nog het einde van het seizoen of al het begin van het nieuwe wielerjaar?
‘Het zijn de laatste dagen van de vakantie.’
Wat is je gemoedstoestand?
‘Ik denk dat ik nu op mijn rustigst ben.’
Rustiger dan vandaag en morgen gaan we jou komend jaar niet meer zien?
‘Dat denk ik niet.’
Hoelang duurde deze rustige periode?
‘Zo’n drie weken. Vorige week zijn Ilse en ik uit Griekenland teruggekomen van vakantie. Eerste keer in elf jaar dat ik écht op vakantie ben geweest.’
Waarom hebben jullie ervoor gekozen om nu wel op vakantie te gaan?
Met een lach tegen Ilse, die naast hem zit: ‘Dat moest ik toch? Van jou? Van mij hoeft het niet per se, maar jij zei: “Allemaal leuk en aardig, maar jij bent het hele jaar op pad en in het buitenland bezoek je leuke plekjes. Ik werk hier en zit ’s avonds thuis. Ik wil ook weleens een keer weg.” Ik snapte dat natuurlijk wel, dus zijn we op vakantie gegaan. Was superleuk, ik heb genoten.’
Waarom had je vroeger nooit zin?
‘Ik miste altijd een doel op vakantie. Ik vind het lastig om mijzelf gewoon even uit te schakelen. Heb blijkbaar tijd nodig om te accepteren dat ik niets hoef te doen. Aan het begin van de vakantie ben ik toch al bezig met volgend seizoen en wat ik allemaal anders wil gaan doen. Begin ik al met coretrainingen. Ben ik alvast wat sterker als ik echt begin met trainen. Ik zit dan nog een beetje in een roes. En eerlijk? Op vakantie in Griekenland denk ik ook aan wat er aan de tuin moet gebeuren. Toen we terugkwamen heb ik volle bak in de tuin gewerkt. ’s Ochtends stond ik te wachten tot het licht was en ’s avonds dacht ik: shit, ik moet naar binnen want het wordt donker. Nu is het half november en merk ik dat ik wat rustiger ben. Overmorgen ga ik weer beginnen.’
En waar begin je dan aan?
‘Een basis leggen. Ik kan me nog heel goed herinneren dat ik vorig jaar bij de Gran Premio Castellón, de eerste wedstrijd van het seizoen, dacht: oei! Deze wedstrijd stond aanvankelijk niet op de planning, maar de ploeg vroeg het en ik was toch in de buurt, dus ik zei ja. Ik was ook net nieuw bij de ploeg en ik had nog weinig op intensiteit getraind. Aan het einde van die koers zat nog een klimmetje van vier minuten ofzo. Dat was wel even aanklampen.’
Dat gevoel wil je straks niet...
‘Nee.’
Hoe belangrijk blijkt dat eerste gevoel van het seizoen? Is het een waardevolle indicatie?
‘Dat gevoel zegt niet per se iets.’
En toch heb je op basis van dat gevoel van vorig jaar besloten je training voor komend seizoen aan te passen?
‘Ik heb nu twee maanden de tijd om te zorgen dat ik een goed basisniveau heb als ik aan die wedstrijden begin. Dat ik mee kan doen en dat ik iets kan betekenen voor de ploeg. Als je de eerste wedstrijden gelijk meedoet om de prijzen geeft dat vertrouwen.’
Hoe ben je begonnen met fietsen?
‘Mijn vader ging af en toe een rondje fietsen met z’n maten van het waterpolo. Omdat ik snel mijn zwemdiploma’s had, dacht iedereen: Milan gaat zwemmen. Maar ik vond fietsen leuker. Het liefst wilde ik trouwens motorcrossen, maar dat mocht niet.’
Hoe oud was je toen?
‘Vier? Ik zat al vroeg op een fiets. Ik was een maand of veertien denk ik. Zo’n loopfietsje. Reed ik rondjes door de woonkamer. Ik was snel. Ik liep al met negen maanden. Ik was altijd druk bezig. Op mijn vijfde reed ik mijn eerste dikkebandenrace.’
Wat vond je leuk aan de fiets?
‘Buiten zijn. Beetje crossen. Vies worden.’
Waar croste je?
‘In Goes had je een mountainbikevereniging. Ik was zeven. Hadden ze zo’n terrein met bultjes. We hadden daar een hele leuke trainer, Cor. Die had altijd leuke opdrachtjes en trainingsvormen. Ik vond het daar gezellig.’
Mountainbiken is het niet het eerste dat ik associeer met het winderige en vlakke Zeeland.
‘Klopt wel, maar je kunt ook door de duinen, alhoewel dat niet meer mag, en over het strand. Ik heb heel wat strandraces gedaan. Maar de club was ook heel leuk en we gingen het land in. Vaak een weekendje weg, huurden we huisjes, vertrokken we vrijdags uit school.’
Hoe was jij op die weekeindjes?
‘Ik fietste voor mijn plezier, maar ik wilde wel winnen, hoewel mijn moeder mij er nog weleens aan herinnert dat ik bij een mountainbikewedstrijdje ooit ook een keer op de top ben gestopt om naar beneden te lopen en een ander jongetje omhoog te duwen. Voor ik ging mountainbiken had ik al een keer meegedaan aan het NK dikkebandenrace, in Lisse. Ik was toen weg met een ander jongetje. In de laatste bocht sneed hij mij hard af, duwde mij zo de weg af. Ik herinner me de prijsuitreiking in de grote hal. Hij stond naast Michael Boogerd en Erik Dekker op het podium en ik stond achterin de zaal.’
Is dat een motivatie geweest om fanatiek door te gaan?
‘Ja, en toch ook een gebeurtenis in Limburg, toen ik met mijn vader de Amstel Gold Race-toertocht reed. Zeventig kilometer volgens mij. Superleuk, maar best ver al. Na 55 kilometer had ik het wel een beetje gehad. Ik wilde stoppen, mijn vader riep dat het nog maar een klein stukje was, maar ik wilde niet meer, zei dat ik hoofdpijn had. Bij de finish kreeg iedereen in die grote tent een medaille en een goodiebag. Toen dacht ik wel: kut, daar gaat mijn goodiebag. Dat nooit meer.’
Leeft dat gevoel nog steeds in jou?
‘Nou, ik heb nog wel vaak dat ik blijf doorrijden ook al ben ik gelost en mijn taak zit erop. Ik doe al die investeringen, al die trainingen om proberen te winnen, hoewel dat lekkere gevoel van korte duur is. Je bent al snel weer bezig met het volgende. Daarom was het lekker dat ik toen in 2023 de Ronde van Guangxi won. Ik denk dat het een dag of twee nog bleef hangen. Toen was ik alweer aan het denken: als we dit nou doorzetten of dit aanpassen. Dan is dat gevoel wel weer verdwenen.’
Omschrijf het gevoel eens van met je handen omhoog over de streep gaan.
‘Toen ik in China won... dat was wel echt... Toen kon ik het ook gewoon echt niet geloven. Dat was echt een heel speciaal gevoel. Vanaf het moment dat ik in het ziekenhuisbed in Bilbao bijkwam, was dat een beetje mijn missie geweest. Ik dacht, ik ga er weer bovenop komen. En als het dan lukt…’
Je kwam van heel ver, lag twaalf dagen in coma, je had talloze botten gebroken, je halsslagader was gescheurd, er was een stent geplaatst, je had interne kneuzingen. Hoe zeker was je ervan dat je zou terugkeren?
‘Of ik er in die eerste dagen honderd procent van overtuigd was weet ik niet maar ik heb mijzelf vanaf dag één vertrouwen ingepraat.’ Ilse: ‘Je was wel overtuigd.’ Milan: ‘Ja?’ Ilse: ‘Toen je in het bed lag... wist je al van dit ga ik doen straks en dit.’ Milan: ‘Ja, dat was ook zo. Klopt wel. Ik had wel een plan, zeg maar.’
Je bent een boek over trauma’s aan het lezen. In hoeverre is het ongeluk nog steeds van invloed?
‘Dat boek lees ik niet zozeer voor mezelf. Ilse’s vader heeft gediend in Afghanistan en Srebrenica. Hij is gegijzeld geweest.’ Ilse: ‘Milans ongeluk heeft ook een grote impact op ons gehad… Voor jou iets minder.’ Milan: ‘Ik heb er zelf niet echt last van gehad. Tenminste… Ik ben er eigenlijk niet meer mee bezig. Ja, soms denk ik eraan terug. Dan denk ik: mooi dat we er nog zitten. Dat het zo goed gaat. Maar meer dan dat eigenlijk ook niet.’ Ilse: ‘Je vond het heel lastig en heel erg voor ons, dat het ons was overkomen, die periode. Je moest leren begrijpen hoe het voor je directe omgeving was geweest. Je vertelde dat je er meer van wilde weten. Hoe dat er dan aan toe gaat.’
Milan: ‘Dit jaar nog, op televisie toch? Keken we zo’n ziekenhuisprogramma. Jij hoorde toen allemaal van die piepjes en toen had je het even niet meer. Toen begon je te trillen. Toen dacht ik: wat doe jij nou? Maar dat triggerde gewoon die ervaring. Ik dacht: ik moet mijn omgeving begrijpen. Vandaar dat boek.’
Op de fiets heb je er geen last van?
‘Nee. Ik had me toen heel snel wijsgemaakt dat ik gewoon heel goed kan sturen en dat het toen een stuurfoutje was. Dat het niet mijn schuld was, om het zo te zeggen.’
‘Ik heb het mezelf wijsgemaakt’: leg dat eens uit.
‘In het begin wist ik natuurlijk helemaal niet wat er was gebeurd. Toen ik dat wel wist, had ik kunnen zeggen: dom van mij. Maar waarom zou ik het in het negatieve trekken? Er zijn jongens die na een crash aan zichzelf gaan twijfelen. Ik niet, ik hield mezelf voor dat ik gewoon heel goed kan fietsen. Dat was voor het ongeluk zo, dus waarom zou het na zo’n crash anders zijn?’
Had jij vroeger voorbeelden?
’Ik ben nooit heel erg van de voorbeelden geweest. Bij opa en oma stonden al twee kleine fietsjes. Die waren eigenlijk veel te klein. Mijn broertje en ik konden daar altijd een beetje op crossen. We hadden shirtjes gemaakt. Eentje van Alessandro Petacchi en de andere van Robbie McEwen. Maar veel meer dan dat was het ook niet.’
Wie was de eerste profwielrenner die je ontmoette?
‘Petacchi denk ik, op de Grote Markt in Middelburg, bij de start van de ZLM-Tour. Was ik bidons en handtekeningen aan het verzamelen.’
Wat vond je leuk aan wegwielrennen?
‘Het was een grote, onbereikbare wereld. En die mensen daar konden echt heel goed fietsen. Dat wilde ik ook.’
Waarom koos je toch eerst voor mountainbiken?
‘Ik was een jaar of veertien en deed al snel mee om de prijzen en daarna kon ik meedoen op dezelfde parcoursen als de elite. Ik reed nog wel op de weg, maar altijd om beter te worden in het mountainbiken.’
Waarom wilde je na de Spelen van Tokio in 2021 naar het wegwielrennen?
‘Mijn mountainbikecoach Tim Heemskerk vermoedde dat ik het daar best goed zou kunnen doen. Je heb het postuur en de kwaliteiten, zei hij. Het zette mij aan het denken en ik dacht: leuk, een keer iets anders.’
Was je klaar met het mountainbiken?
‘Nog niet helemaal. Ik kon toen heel lastig kiezen. Ik was tiende geworden in Tokio en dat was best goed, besef ik nu. Toen dacht ik: misschien kan ik in Parijs 2024 een medaille halen. Toen ik na mijn stage dat gesprek had met Jumbo-Visma zeiden ze: wat als je het allebei kan doen? Dat werd ook het plan.’
Maar ja, daar kwam iets tussen.
‘Na die crash in Baskenland werd het inderdaad heel lastig. Heb ik het nog wel even geprobeerd, maar ik werd er bij de eerste de beste poging finaal vanaf gereden. Dat was zo akelig.’
Wat is voor jou het verschil tussen mountainbiken en wielrennen?
‘Het wielrennen is een heel andere wereld. Je word er sneller afgeserveerd, je bent een nummertje. Het maakt ze echt niet uit of het nu poppetje A is dat wint of poppetje B. Elke ploeg roept wel: we zijn een familie. Maar daar geloof ik niet zoveel van. Je moet jezelf voorop stellen en vechten voor je plekkie. Daarom heb ik sinds kort ook een manager. Iemand die voor mij opkomt, iemand die me stress uit handen neemt door voor mij op zoek te gaan naar een contract.’
Waaraan kan ik aan jou – en ook bijvoorbeeld aan Mathieu van der Poel – zien dat je een mountainbikeverleden hebt?
‘Aan de afdalingen. In trainingen kan ik me weleens ergeren aan ploeggenoten die langzaam naar beneden gaan. Ik vind het juist leuk om te spelen en dat mijn achterwiel een keer wegslipt. Dat was de limiet, denk ik dan. Ik vind het leuk om mezelf uit te dagen. Kijken of het harder kan. En natuurlijk probeer ik dat op een veilige manier te doen. In trainingen willen ze altijd rustig naar beneden, maar hoe ga je dat dan in een wedstrijd doen? Je moet afdalen gewoon heel veel oefenen. Ga een keer wat harder naar beneden. Maar ze doen voorzichtig, omdat de wegen in Spanje glad zijn. Dat zijn ze in de koers ook.’
Wat is in de afdaling de meest gemaakte fout?
‘Wegrenners zijn net schapen. Ze volgen allemaal gewoon de eerste. Precies in hetzelfde rijtje. Ze kijken te weinig vooruit. De gemiddelde wegrenner is vaak bezig met de eerste bocht. Hoe snij ik die aan? Ze kijken niet vier bochten vooruit als dat wel kan. Het gaat erom de weg te lezen. De lijnen die je kiest... Ik denk: als je die bocht zo rijdt, kun je hem iets harder rijden. Kijk je alleen naar de eerste bocht, dan kom je meestal niet lekker uit, omdat de lijn van de eerste bocht bepaalt hoe je door bocht twee en drie kunt gaan.’
Jij hebt een heel goede daler in de ploeg, Tom Pidcock. Heb je iets van hem kunnen leren?
‘Door goed naar hem te kijken, kan ik nu sneller door de snellere bochten. Ik zag dat hij zijn hoofd dichter bij het stuur bracht dan ik, waardoor hij meer gewicht op zijn voorwiel drukt, waardoor het zwaartepunt lager komt te liggen en je automatisch je lichaam al een klein beetje laat meedraaien in de bocht. Gevolg: je draait makkelijker die bocht door. Ik zat te vaak te rechtop, waardoor mijn navel te vaak naar de buitenbocht wees. Je doet het goed als je kunt visualiseren dat er een laserstraal uit je navel komt en jij gaat waar die straal naartoe gaat.’
Wat was er ingewikkeld aan de overstap van mountainbike naar de weg?
‘Die wereld en die cultuur overweldigden mij. Het is een heel serieuze wereld. Het was spannend en ik hield me voor dat ik in de pas moest lopen. Ik was een groep van veertien mensen gewend. Bij Visma werkten toen 150 mensen.’
Hoe was dat van invloed op jouw werk?
‘Ik wilde vooral graag een duidelijke taak. Houvast. Ik ging ook 100 procent voor die taak. Mijn eigen belang schoof ik helemaal aan de kant. Maar alleen maar in de pas lopen is niet gunstig voor je. Soms moet je ook gewoon een keer zeggen van... fuck it.’
Is dat ook de reden dat je na drie jaar naar een andere ploeg ging?
‘Ik was ook eerlijk genoeg om te zeggen dat er bij Jumbo zoveel goede renners zijn. Ik kan wel kopman willen zijn, maar er waren daar zoveel renners die beter zijn dan ik. Bij deze ploeg kan ik wel voor mezelf koersen. Dat was wel de stap die ik nodig had.’
En waarom had je die nodig? Om te winnen? Om plezier te krijgen?
‘Ik kan hier voor mezelf opkomen. Bij een nieuwe ploeg kun je makkelijker aangeven dat je het anders wil. Ik kon een nieuwe start maken.’
Vorig jaar debuteerde je op je 28ste in Italië in een grote ronde. Kun je uitleggen wat er moeilijk aan is?
‘Je moet jezelf helemaal uitwringen en je bent al vrij snel gewoon moe.’
Wanneer kwam dat moment bij jou?
‘Op dag vier al. Ik dacht: verdomme, dat is wel effe iets… In die eerste week al… Gelukkig werd het daarna niet veel erger en zag ik Thymen Arensman er op een bepaald moment ook gewoon doorheen zakken. Ik heb ook elke dag geprobeerd om mee te zitten in de ontsnapping, maar dat lukte pas in de laatste twee dagen. In het hooggebergte. Dat was eigenlijk niet echt iets voor mij, maar ik zat er wel.’
Hoe kreeg je dat voor elkaar?
‘Dat is een mentale zaak. En als ik mijn persoonlijk verzorging vergelijk met de rest van de renners, dan is die wel to the point. Daar heb ik wel iets op gewonnen.’
Wat doe je anders dan de rest?
‘Ik ben redelijk gestructureerd en dat heb ik overgehouden van de periode in Sittard met de nationale mountainbikeselectie. Die stond onder leiding van Tim Heemskerk, momenteel trainer van Visma | Lease-a-bike. Hij is ook de trainer van Jonas Vingegaard. Ik heb al op mijn zeventiende geleerd hoe je prof moet zijn. Misschien iets too much op die leeftijd, maar toch.’
Wat leerde Heemskerk je?
‘Er zijn jongens die na de wedstrijd eerst nog tien minuten gaan ouwehoeren. Van: dit en dat gebeurde er allemaal vandaag. Die moeten eerst hun verhaal kwijt. Voor mij hoeft dat niet. Ik ben al bezig met de volgende stap. Als ik over die finish kom, dan pak ik gewoon mijn shake, mijn kersensap en wat er allemaal bij hoort. En ik ga gelijk uit-fietsen. Ik was daardoor vaak eerder klaar met mijn shit die je na de koers moet doen als renner. Dus ik kon altijd iets eerder naar bed, iets eerder slapen. Terwijl sommige jongens om halftwaalf nog denken: fuck, ik moet dit nog, ik moet dat nog, ik moet mijn koers-file nog op Garmin zetten. Dat heb ik allemaal in die eerste week gedaan. Daar win je tijd mee en alle tijd die je wint, kun je op je bed liggen.’
Dat is het doel?
‘Ja. Het is al druk zat in zo’n grote ronde. Dus alles wat je voordien kunt doen, moet je gedaan hebben. Je moet het je zo makkelijk mogelijk maken.’
En als je op bed dan niks doet… Wat doe je dan wel?
‘Ik had een e-reader mee. Las daar dat boek over trauma’s. Dat soort dingen. Dat vind ik interessant. Nu ben ik bezig aan De nieuwe wereldeconomie. Over de vijf grote trends tot aan 2050. Kunstmatige intelligentie, vergrijzing, geopolitiek. Vind ik leuk.’
Hoeveel minuten winst pak je op deze manier op een gemiddelde dag ten opzichte van andere renners?
‘Moeilijk in tijd uit te drukken. Maar je ligt dan met een ploeggenoot op de kamer en ik probeer de optimale slaapomstandigheden te creëren. Zo’n plastic hoes haal ik altijd van de matras, dat voorkomt onnodig zweten. Ik trek de stekker uit de koelkast want een koelkast produceert warmte. Met dat soort dingetjes ben ik erg bezig.’
Zijn er in het wielrennen ergernissen of zaken die je graag anders zou zien?
‘Ik vind laat avondeten vervelend, dat geeft mij stress. Want je moet zo véél eten. Dat heb ik bij de ploeg ook een paar keer aangegeven. Geven ze na de koers in de bus op de weg naar het hotel een klein bakje en dan moet je ’s avonds nog twee borden naar binnen schuiven. Ik heb gevraagd of ik na de koers een grotere portie kan krijgen. Ik heb dat late eten weleens aangekaart, dan zeggen ze: “Misschien wel een goed idee”, maar verder wordt er nooit iets mee gedaan.’
Welk eten mis je tijdens het seizoen het meest?
‘Er zijn eigenlijk niet zo heel veel dingen die ik mis. Als ik een handje chips wil, dan pak ik dat gewoon. Dat is beter dan dat ik mezelf helemaal zit op te vreten omdat ik niets mag aanraken.’
En als je naar een restaurant gaat…
‘Ik ben niet zo heel erg van het restaurant. Voornamelijk omdat ik koken heel leuk vind. Ik geef liever wat meer geld uit aan goede pannen of aan een goed stukje vlees bij een goede slager.’
Let je erg op je gewicht?
‘Ik weeg mezelf elke dag. 63,5 vanochtend ’
Is dat goed?
‘Ja. Na het ongeluk ben ik wel wat kilo’s kwijtgeraakt. Daarna ben ik een tijd lang 60 kilo geweest. Toen een seizoen 61. Vorig jaar 62. En nu boven de 63.’
Hoe groot is volgens jou dat anorexia-probleem nog in het peloton?
‘In het verleden was dat een groter probleem dan nu. Nu valt het wel mee. Als je nu te weinig eet, word je er sowieso afgereden.’
Je reed vorig jaar de Giro. Dit jaar de Tour?
‘Ik zou het hartstikke leuk vinden om de Tour op mijn lijstje te hebben, maar als iemand in de ploeg beter is dan ik, dan moet die gaan. De Vuelta staat dit jaar op mijn programma. Lijkt me hartstikke leuk om te doen. Ik heb erg van de Giro genoten en kijk uit naar de Vuelta. Drie weken op pad. Halverwege niet meer weten waar je bent. Je krijgt tussen de etappes door heel weinig van het land mee. Je leeft in zo’n bubbel. Vanaf je zadel zie je veel, maar stap je van de fiets: gelijk de bus in en meteen weer datzelfde riedeltje. Of dat nou in Zuid-Italië is of ergens anders.’
Ligt een grote ronde jou?
‘Vorig jaar merkte ik dat mountainbiken en een grote ronde rijden niet verder uit elkaar kunnen liggen. Ik denk dat de eendaagse koersen mij beter liggen. En dat vindt de ploeg inmiddels ook. Gewoon goed opladen en dan in één dag alles eruit knallen.’
Bij Jumbo-Visma dachten ze eind 2021 met jou een toekomstig ronderenner in huis te hebben gehaald. Op basis waarvan dachten ze dat?
‘Omdat ik kon klimmen. Ik heb ook het postuur van een renner voor meerdaagse koersen. Toen ik stagiair bij Jumbo-Visma was, hadden ze zo’n powerpoint klaargemaakt. Met een plaatje van Primož Roglič erbij. In een gele trui van de Tour of zo. Ze zeiden: “We willen van jou ook een ronderenner maken. We zien kwaliteiten.” Maar als ik eraan terugdenk en mountainbiken vergelijk met het rijden van een grote ronde, denk ik: leuk idee, maar het kán bijna niet.
Het was logischer geweest om mij zo te laten trainen dat ik een koers als de Waalse Pijl zou aankunnen. We probeerden van alles bij Visma, maar wel altijd met het idee van een ronderenner in gedachten. Ook eerste jaar hier bij Q36.5: wedstrijden met beklimmingen van twintig minuten. Die kan ik wel aan en ik ga zeker harder omhoog dan een sprinter, maar wil je een keer met je handen omhoog over de streep, dan kun je mij beter naar wedstrijden sturen met beklimmingen van maximaal twee minuten. Maar ook hier bleven ze dat eerste jaar te veel hangen in het beeld dat ze van mij hadden.’
Waardoor wordt dat beeld bepaald?
‘Niet alleen door hoe ik ben gebouwd, maar ook doordat ik eind 2023 de Ronde van Guangxi won. Maar dat was maar één keer omhoog knallen, tien minuten. Dat ging één keer goed, toen ik die etappe won en de leiding nam in het algemeen klassement. De rest van die etappes was relatief vlak. Ik had toen een ronde op mijn naam staan en dan denkt iedereen: een ronderenner. Zo oppervlakkig is het vaak in het wielrennen. Het heeft me verbaasd dat mensen zo vast kunnen zitten in stereotypen.’
Als je pech hebt, heb je daar als renner je hele loopbaan last van.
‘Ik heb me daarom dit jaar meer uitgesproken. Je moet voor jezelf opkomen. Dit wilde ik gewoon anders. Anders blijf je nutteloos je energie verbranden. Als we straks naar Strade Bianchi gaan met Tom Pidcock als kopman, dan snap ik dat we voor de kansen van Tom rijden. Tom heeft Strade al een keer gewonnen. Die is gewoon beter. Dat vind ik ook helemaal niet erg. Maar ik wil wel gaan voor andere eendaagse wedstrijden.’
Wat miste jij als ronderenner om die keus wel voor de hand liggend te laten zijn?
‘Dat ongeluk in Baskenland heeft wel een grote impact gehad op mijn ontwikkeling. Het heeft een hoop tijd gekost. Pas begin vorig jaar kreeg ik het gevoel dat ik een wegrenner was. Ik had tot die tijd na een koers altijd dagen nodig gehad om echt te herstellen. Vorig jaar was ik na een dagje rustig aan doen wel weer hersteld.’
Zijn er meer zaken in het wielrennen die je onbegrijpelijk vindt?
‘We hebben dit jaar nauwelijks nabesprekingen gedaan. Ik hoor dat van meer ploegen. Ja, na de koers flapt iemand er in de bus even wat uit. Alleen, de volgende wedstrijd doen we alles weer precies hetzelfde. Dan denk ik: moeten we het daar niet eens over hebben? Hoe gaan we dat oplossen? Zo’n bespreking hoeft helemaal niet lang te duren, maar je moet wel durven zeggen wat je vindt. Bij Visma was dat wel echt goed op orde. Daar heerste een heel open cultuur.’
Waarom hebben wielerploegen na de finish altijd zo’n haast te vertrekken, alsof de duivel hen op de hielen zit?
‘Leuk dat je dat zegt. We zouden wat meer tijd kunnen nemen en daar dus die nabespreking doen, maar als argument kreeg ik vaak te horen dat de tijd in de bus ook voor iedereen een moment is om even af te gassen. En dat snap ik. Maar je kunt toch ook even vijf of tien minuten voor het eten bij elkaar komen? Hoeft niet lang te duren. Volgens mij win je er zoveel mee. Helemaal als iedereen ook nog eens zegt wat hij denkt.’
Hoe is dat na eendaagse koers?
‘Dan moeten er door iedereen vluchten worden gehaald. Ik heb weleens rondgereden in een koers nadat ik vrij snel was gelost. Ik checkte hoe laat het was. Kan ik de koers nog uitrijden? Want ik wilde per se finishen. Ik dacht: nee, ik ga echt niet afstappen omdat ik dan een eerdere vlucht kan halen. Het zou trouwens beter zijn om een dag later te vertrekken, omdat je direct na een koers heel vatbaar bent om ziek te worden. Heb je jezelf een week lang uit elkaar getrokken en dan ga je op een druk vliegveld zitten. Niet heel slim.’
Waarom gebeurt het dan toch?
‘Geld. Het scheelt een overnachting. Je hoort ook vaak dat het fijn is om even thuis te zijn. Dat snap ik ook. We zijn veel weg. Het is lastig om een goede balans te vinden.’
Is het voorkomen van ziek worden iets waar je continu mee bezig bent?
Ilse, die weer aan tafel is komen zitten en koffie serveert: ‘Je hebt van Tim Heemskerk heel erg meegekregen dat je minder kans hebt om ziek te worden als alles om je heen heel schoon is, toch?’ Milan: ‘Op vliegvelden zoek ik meestal gewoon de rustige plekjes op. Als we vanaf gate 10 moeten vertrekken en bij gate 11 is het rustig, dan ga ik daar zitten. Ik ga ook niet in de rij staan. Ik ga het liefst als laatste naar binnen. Dat doen vrijwel alle wielrenners. Om niet te lang te hoeven staan en om zo kort mogelijk in het vliegtuig te zitten. Voor de Ronde van Noorwegen had de wedstrijdorganisatie ASO vanaf Brussel een chartervlucht georganiseerd. Dus alleen maar renners in die kist. Riep die vrouw om dat check-in was geopend. Wat denk je? Iedereen bleef zitten, tot het allerlaatste moment. Die vrouw had echt zoiets van: wat zijn dit voor mafkezen?’
Je maakt onderdeel uit van het peloton. Wat is een peloton?
‘Dat is een domme vraag. Het peloton is een groepje renners waarmee we van A naar B rijden.’
Maak je vaak praatjes met collega’s?
‘Er zijn er die dat echt geweldig vinden – en ik zal niet zeggen dat ik het alleen maar als werk zie, maar ik ben in koers dan toch gewoon vooral bezig met mijn eigen ding of met het plan van het team, het uitvoeren van mijn taak. Ik praat af en toe wel met gasten, maar ik hou vooral de situatie in de gaten. Ben bezig met mijn vak.’
Heb je vrienden in het peloton?
‘Er zijn wel gasten die ik wat vaker spreek, maar om hen vrienden te noemen gaat te ver. Je moet vooral geen vijanden hebben.’
Heb je vijanden?
‘Nee, maar er zijn wel gasten die echt vervelend rijden, die echt overal lak aan hebben.’
Hoeveel van die jongens zijn er?
‘Ergens tussen de vijf à tien procent, denk ik.’
Wat wordt in het peloton als vervelend gedrag gezien?
‘Het gebeurt vaak op momenten dat je moet vechten voor je plek. Of als teams in formatie rijden en een andere renner daar gebruik van maakt of ertussendoor rijdt. Wat eigenlijk ook wel weer gek is. Want het is een wedstrijd. Maar het is een ongeschreven wet. Ik herinner me mijn allereerste koers, Valencia 2022. De koninginnenrit. En ik dacht, die ga ik goed beginnen, ik pak het wiel van Remco Evenepoel, de favoriet. Maar dat mocht dus niet. Ik kreeg een elleboog van een ploeggenoot van hem. En nog een en nog een. Ik zakte verder terug. Kwam ik bij Bora terecht. Weer die ellebogen. Toen dacht ik: wat is dit nou weer? We zijn toch gewoon een wedstrijd aan het rijden? Maar ja, er was niemand van ons vooraan in het klassement, dus dan hoor je niet vooraan in het peloton. Halverwege het peloton werd het me duidelijk.’
Je komt zelfverzekerd over en lijkt je er niet zo heel erg druk over te maken wat andere mensen van je vinden…
‘In het peloton in elk geval niet. Daar buiten wel, denk ik. Ik heb mezelf wel altijd voorgehouden dat ik mijn mannetje moet staan. Ik denk dat ik voor veel collega’s wel dat kleine, irritante ventje ben.’
Is er iets dat je in het peloton hebt geleerd waarvan je in het dagelijkse leven ook profijt hebt?
‘Niet zozeer vanuit het peloton, maar wel met Jumbo-Visma. Ik had een keer een gesprek met de coaches. Ze zeiden dat ik mij best eens wat meer mocht openstellen. Ze vonden mij superprofessioneel, heel goed in het uitvoeren van taken, maar wie was Milan? “We krijgen geen grip op je,” zeiden ze. Ze vonden mij stoïcijns, vroegen of ik ook af en toe blijdschap of een andere emotie kon laten zien.’
Wat vond jij van die vraag?
‘Het raakte me wel. Ik heb daar veel over nagedacht en probeer me nu meer open te stellen. Niet alleen bij de ploeg, maar ook in het gewone leven.’
Weet je ook waarom je het eerst niet deed?
‘Ja. Toen ik een jaar of zeventien was maakte ik deel uit van de nationale mountainbike-selectie. Mocht ik een paar keer mee naar wereldbekerwedstrijden. Tim Heemskerk, onze bondscoach, was bezig ons al jong op te leiden. De prestaties op de Spelen van Londen in 2012 waren tegengevallen en NOC*NSF ging korten op de budgetten. Daarom begon Tim jonge renners op te leiden. Onder wie ook Sjoerd Bax, nu mijn ploeggenoot. We namen onze intrek in Sittard. Ik verliet mijn ouders en we zijn daar gaan wonen. Ik ging daar ook naar school en woonde met die jongens op wooncampus Watersley, een park waar ook een klooster en een complex met een zorginstelling is gevestigd. Vier jaar lang stond alles in het teken van sport en beter worden. En dat was zó serieus.
Ik weet nog dat ik bij Visma die eerste keer op stage kwam bij een trainingskamp en dacht: zo, dat is relaxed. Terwijl dat in die tijd al echt de vooruitstrevende ploeg was, hè? Waar ze heel wetenschappelijk bezig waren. Maar voor mij voelde het alsof die jongens er een beetje met de pet naar gooiden. In Sittard bleek het dus best wel heftig te zijn geweest. Ik probeer het voorzichtig te zeggen, omdat Tim altijd alles vanuit de beste intenties heeft gedaan. Maar als je het in topsport hebt over de randjes opzoeken... dan zaten we daar wel redelijk vaak in de buurt of eroverheen.’
Wat bedoel je met ‘de randjes van het topsport’?
‘Gewoon de hele cultuur. Het was heel prestatiegericht. Dat ging ver. Er was geen ruimte om een puber te zijn. We vroegen een keer aan Tim of we een tv mochten. Dan zei hij gewoon: “Natuurlijk je mag tv maar... maar wil je prof worden of niet?” En dit is dan een heel mild voorbeeld. Ik weet nog dat ik daar een keer in mijn eentje in dat huis zat. Drie weken alleen, zestien uur per dag in zo’n hoogtetent. Ik was toen achttien denk ik. Toen ben ik een keer echt in tranen uitgebarsten. Ik dacht: wat ben ik hier aan het doen? Ik zit hier alleen op dat park. Ik praat met niemand. Ik kom niemand tegen. Tja, is het dat allemaal waard?
Het huis waar wij in zaten was ooit gebouwd voor gehandicapten-gebruikt. Mijn slaapkamer was denk ik ooit de isolatiekamer geweest. Was echt een heel klein slaapkamertje. Die deur kon je vanaf buiten op slot doen. En er zat zo’n raampje in de deur, met zo’n luikje, zodat je van buiten de kamer in kon kijken. Daar had ik wel een fotootje voor geplakt.
Bij alles werd de vraag gesteld: is dit goed voor topsport? En de uitkomst was bijna altijd: niet goed voor topsport, want je moet je focussen op trainen, eten, slapen en beter worden. En tv kijken is niet ‘beter worden’. We konden beter iets over voeding lezen, vonden ze. Ik heb daar echt lastige momenten gehad. Maar ik heb altijd voor ogen gehouden dat Tim superintelligent is en ik was overtuigd van zijn aanpak: Tim weet hoe je profrenner kan worden. Die kan mij echt helpen een medaille op de Spelen te winnen. Daar deden we het allemaal voor. Dus dan accepteer je dat.
Die periode in Sittard heeft mij echt veranderd. Heb ik later van mijn moeder ook gehoord. Zij heeft daar heel veel verdriet van gehad. “Als je dan thuis kwam, was je gewoon helemaal Milan niet meer. Je was helemaal veranderd.” Ik was stil, gesloten en gaf nergens meer wat om. Behalve om sport. Ik weet ook nog dat ik een keer thuis was en oom Marcel was jarig. Maar ik durfde niet naar zijn verjaardag. Waar moest ik het dan met die mensen in dat kringetje over hebben? Ik dacht echt: fuck, hoe dan? Ik had dat altijd van me afgehouden: ik moest trainen, ik moest rusten, ik moest voorbereiden. Ik weet nog dat ik toen dacht: dit is gek, dat je niet naar een verjaardag durft.
Toen ik in die hoogtetent in tranen was uitgebarsten wist ik: dit kan zo niet langer. Er moet echt iets veranderen. Ik dacht, ik moet meer van de wereld zien. Of meer mensen spreken. Of in ieder geval, van dat soort dingen. Maar ik dacht ook: zal ik hulp vragen of niet? Ik dacht: ik ga het zelf oplossen.’
Wat heb je gedaan?
‘Ik ben naar een Franse ploeg gegaan. En ik herinner me nog een wedstrijd, in de buurt van Valencia waar we een Spaanse osteopaat hadden die even als invaller bij ons werkte. Tijdens die behandeling hadden we best een leuk gesprek en hij zei dat ik bij hem in Spanje altijd welkom was om te trainen. “Want,” zei hij, “in Nederland regent het toch altijd.” Oké, dus ik zit later op het vliegveld in Valencia, open het weerbericht op mijn telefoon en wat denk je: regen. Ik stuurde hem een berichtje en ik kon langskomen. Hij haalde mij op van het vliegveld. Ik ben daar twee weken geweest en daarna nog vaak teruggekomen. We zijn goede vrienden geworden.’
Wat merk je nu nog van die periode in Sittard?
‘Ik ben nog steeds bezig met relaxed te worden. Ik was altijd zo fokking serieus. Ik ben in 2020 vertrokken. Maar kijk, ik heb daar ook een goede tijd gehad hoor, we hebben ook veel gelachen met die jongens.’
Ben je sindsdien een betere renner geworden doordat je je meer openstelt en meer ontspanning zoekt?
‘Ik denk daar vaak over na. Had het ook op een andere manier gekund? Inmiddels ben ik daarvan overtuigd. Dan was ik ongetwijfeld andere dingen tegen het lijf gelopen, dingen waar ik het lastig mee zou hebben gehad. Even los van het feit dat ik er nog steeds van aan het afkicken ben, heb ik geen spijt dat ik daar was. Ik heb er veel geleerd, levenservaring opgedaan, maar het is wel zo dat ik heel zakelijk werd, ook in mijn communicatie naar Ilse, toen we elkaar net hadden ontmoet. Ik belde bijvoorbeeld alleen als ik het nodig had. Ze kreeg daardoor de indruk dat ik niet zoveel om haar gaf. Voor haar gevoel stond ze op twee.’
Wat had je eerder willen weten over het bestaan als wielerprof?
‘Ik denk dat ik me jarenlang gewoon te druk heb gemaakt. Dat past wel een beetje bij wat ik net zei. Ik had de behoefte om alles te controleren. En als ik iets niet onder controle had of ergens geen invloed op had, werd ik gestrest. Het is beter om dingen af en toe los te laten. Om dingen te doen die ik leuk vind, maar heel lang vond ik dat ik eerst iets serieus moest doen, iets moest afvinken voordat ik iets leuks mocht doen.’
Je moest het plezier verdienen?
‘Ja. Terwijl, dat hoeft helemaal niet. Ik kan zelf bepalen hoe mijn leven eruitziet. Dat inzicht was nieuw voor mij, dat heb ik moeten leren. Dat je altijd nee kunt zeggen.’
Is er aan jouw lichaam nog iets te merken van die crash in Baskenland?
‘Er zit wat minder mobiliteit in mijn linkerschouder. Alles was daar gebroken. Die schouder kan ik niet meer alle kanten opdraaien. ’
Moet je nog steeds elke dag bloedverdunners slikken omdat je een stent in je hals hebt?
‘Ja. De ploeg weet dat ook. In het begin van het jaar heb ik voor elke koers tegen de ploegleiders gezegd: denk eraan of schrijf het even op je hand. Want als ik onderuitga, check het dan, geef het door aan de ambulance. In Italië crashte ik een keer aan het einde van het seizoen en toen hebben we voor de zekerheid in het ziekenhuis een scan laten maken van die aderen. Inwendige bloedingen kunnen gevaarlijk zijn.’
Heeft die crash je angstig gemaakt in de koers?
‘Nee.’
Ken jij angst?
‘Ja, als ik echt met hele hoge snelheid ergens naar beneden vlieg, voel ik dat wel een beetje in mijn buik. Dan ben ik wel extra aan het opletten.’
Wat gebeurt er als je dat voelt? Spreek je jezelf dan toe?
‘Ik ben dan gewoon ultra gefocust. Bewust. Goed druk zetten op de buitenste voet. Niet remmen in de bocht. Check de weg. Ligt er iets? Is het glad?’
Gaat de tijd dan snel of langzaam?
‘Ik denk vrij snel. Dus je bent voor je gevoel snel beneden.’
Let je op andere renners?
‘Als ik iemand in de afdaling niet vertrouw, neem ik wel wat afstand.’
Er zijn niet veel renners die na zo’n zware crash terug weten te keren op World Tourniveau – de enige die ik me zo even voor de geest kan halen zijn Fabio Jakobsen en Egan Bernal. Hoe lang heeft het geduurd voor je terug op niveau was?
‘Een halfjaar later reed ik Ronde van Kroatië en in oktober 2023 won ik Guangxi.’
Was je toen al écht terug?
‘Dat vind ik echt heel lastig in te schatten. Als ik die val nou niet had gehad, hoe was die ontwikkeling op de weg dan gegaan? Mijn eerste prestaties op de weg waren best behoorlijk. In de Ronde van Valencia werd ik dertiende in de koninginnenrit. Daar reden toch ook Vlasov en Evenepoel. Zat ik niet heel ver achter. En toen had ik echt de ballen verstand van wielrennen. Ik wist niet eens hoe je moest plassen in koers. Die eerste wedstrijden had ik niet door hoever we nog moesten als we al op vijf kilometer van de streep waren. Hoe moest je dat nou weten? In het mountainbiken kreeg je een bel als je de laatste ronde inging.
Na het ongeluk in Baskenland moest ik echt van ver komen. In dezelfde tijd ging de ontwikkeling van de sport heel snel. Toen ik bij Jumbo-Visma zat, hadden ze echt een grote voorsprong. Toen ik in het ziekenhuis lag en daarna moest revalideren heeft de rest van het peloton een inhaalslag gemaakt. Ik ging dus relatief nog meer stappen achteruit. Natuurlijk was ik het jaar erna in China goed en er deden echt niet alleen maar pannenkoeken mee, maar door de heerschappij van Jumbo en later Tadej Pogačar zijn veel renners ook kleinere rondes gaan rijden, om toch maar koersen te kunnen winnen. Die hele subtop verspreidt zich over al die kleinere wedstrijden, waardoor je niet meer echt kunt spreken van kleinere wedstrijden.’
Heb je het idee dat je ooit nog een keer een koers gaat winnen?
‘Die hoop heb ik wel.’
Hoe belangrijk is winnen voor jouw carrière?
‘Dat is wel waarom ik dit allemaal doe, maar ik realiseer me steeds vaker dat er meer is dan fietsen alleen. Ik wil er alles uithalen, ben dankbaar voor wat ik tot nu toe heb mogen meemaken, maar het is sport en dus gaat het om winnen. Met die gedachte zit ik elke dag op de fiets. Maar daarnaast geniet ik van het proces daarnaartoe, een proces dat ik fijn vind, dat mij houvast geeft. Verlangen naar winnen is als het verlangen naar een nieuwe auto, die je graag wilt hebben. Als je hem hebt is het een week leuk en daarna…’
… is het een ding waarin je boodschappen gaat doen.
‘Precies. Het proces koesteren is belangrijk omdat veel winnen er in het wielrennen niet in zit.’
Je hebt je zinnen gezet op de Waalse Pijl. Is dat voor jou het hoogste haalbare?
‘Dat denk ik wel.’
Gaat winst in de Waalse Pijl jouw carrière verlengen?
‘Dat denk ik wel. Je gaat meer verdienen en je zal langer fietsen. Je komt in de geschiedenisboeken en mensen zullen zich jou langer herinneren.’
Je richt dus je hele leven in om te winnen?
‘Ja.’
Je traint om te winnen, maar om te winnen moet je in vorm zijn. Wanneer was je voor het laatst echt in vorm?
‘De afgelopen twee jaar niet.’
Weet je nog wel hoe het voelt?
‘Jazeker. In vorm zijn voelt heel lekker. Alles draait lekker. Je bent wel moe na een training, maar niet naar de kloten. Vooral als je intervallen moet doen merk je als je in vorm bent dat je kunt blijven gaan.’
Is het in vorm komen het moeilijkste van het wielrennen? Of is het alleen het moeilijkste van de voorbereiding?
‘Het is een van de moeilijkere dingen. Vorm hangt niet alleen af van je trainingsschema, maar het speelt ook mee hoe je in je vel zit, of thuis alles goed gaat. Sommige trainers denken er misschien anders over.’
Die denken: trainen en niet zeiken.
‘Precies.’
Wat vind jij het moeilijkste aan je vak?
‘Sinds ik samenwoon met Ilse is dat het missen van thuis. Daar had ik tot vorig jaar helemaal geen last van. Hoe vaker weg, hoe beter. Ik was ook veel in Spanje. Heb ik een appartementje. Het voelt gewoon leuker op pad te zijn. Thuis, dat was bij mijn ouders. Sinds ik samenwoon met Ilse is het eigenlijk altijd fijn. De voorbije elf jaar was ik in de winter altijd weg, maar nu dacht ik: fok it, ik blijf thuis. Dus ik heb allerlei apparatuur besteld om hoogte te kunnen simuleren. Kan ik iets vaker thuis zijn.’
Is het moeilijkste van je vak dan ook gelijk het belangrijkste? Dat je gelukkig moet zijn om goede wielrenner te zijn?
‘Dat geloof ik echt. Ik heb ook een gesprek met onze coaches gehad, met de wetenschappers ook. Wanneer moet ik fysiek op hoogte zijn, wanneer kan het in een tentje thuis, zodat ik een kamp kan skippen?’
Welk deel van jouw karakter past heel goed bij het vak dat je doet? En welk deel van jouw karakter is best lastig om in te passen in het vak?
‘Wat goed past is dat ik heel secuur ben. En dat ik een goede werkethiek heb. Wat lastig is kan ik niet verzinnen. Ik ben wel redelijk voor dit leven gemaakt.’
Je kwam terug van een enorme crash die je bijna het leven kostte. Je ontwaakte uit een coma, vertelde mij ooit dat je een ‘wandelend lijk’ in de spiegel zag toen je voor het eerst naar jezelf keek terwijl je nog geen twee stapjes achter elkaar kon zetten en toch weet je: ik ga hier uitkomen. Blijkt dan achteraf dat je heel veel wilskracht bezat of heb je dat tijdens je revalidatie ontwikkeld?
‘Ehm... Misschien een combinatie. Ik had het mezelf wel wijsgemaakt dat ik dit zou kunnen.’
Wist je wel wat je tegen jezelf zei, had je de implicaties wel door van die crash?
‘Nee. Of het me ook écht zou lukken wist ik niet. Ik heb altijd wel sterke drive gehad, maar ik bekeek het ook simpel. Op een gegeven moment kwamen we erachter dat ik eigenlijk niet meer kon lopen. Toen dacht ik: toen ik geboren werd en uit mijn moeder kwam, kon ik ook niet lopen, dat heb ik toen ook geleerd. Dus dat komt nu ook wel weer goed. Dus in die zin heb ik wel altijd geloofd dat ik zo’n prestatie zou kunnen leveren.
Ik was die eerste weken zo blij dat ik thuis was... Ik herinner me dat ik een keer op de grond ben gaan liggen en toen dacht ik: fuck, hoe kom ik nou weer omhoog? Weet je wel? Dat soort dingen. Dan ben je zulke vragen aan het oplossen. Toch ergens achter in je hoofd weet je dat je het gewoon gaat fixen. Dat komt wel goed. Dat is gewoon een beetje positieve self talk.’
Waarom lag je op de grond? Was je gevallen?
‘Nee, nee, nee. Op een gegeven moment kon ik zelf op mijn stoel zitten, maar ik was nog ontzettend wankel. Ik kon bijna niks. Opstaan uit een stoel ging nog net. Toen dacht ik: ja, wat als ik op de grond ga zitten? Uit de stoel op de grond gaan zitten, dat ging, maar ik kwam alleen niet meer omhoog.’
Is het voor jou nu volstrekt logisch dat je erbij zit zoals je er nu bijzit of is het ergens ook een wonder?
‘Ik zou eerder zeggen... volstrekt logisch. Dat is wel iets wat ik van Tim, mijn oude coach, heb geleerd. Tim zei altijd: “Als je iets écht wil Milan... dan kan je het. Maar je moet wel écht willen.” En dat echt willen... dat is... dat is een... dat is iets moeilijks, zeg maar. Of tenminste, dat is iets moeilijks om van binnen te kunnen aanspreken. Je moet het in je binnenste voelen.’
Op welke manier heeft die wetenschap, deze ervaring, invloed op de manier waarop je nu je beroep uitoefent?
‘Ik denk er nog weleens aan terug en dan is het: dat is me toen gelukt, dat kan nu ook.’
En waar denk je dan aan als je zegt ‘dat’?
‘Weer een wedstrijd winnen.’
Een geruststellende gedachte.
‘Je zegt het goed.’
In mei dit jaar verschijnt Ik Ben Renner 2, een samenstelling van interviews in de Beroep Renner-serie.





